|
Moderne
schilderijen. |
|
Met de term moderne schilderijen
worden de schilderijen bedoeld die ongeveer na 1860 zijn gemaakt. Vanaf
de Haagse School. Rond die tijd worden de classicistische normen binnen
de schilderkunst opzij gezet om tot nieuwe normen en waarden te komen
binnen de schilderkunst. De schilders gaan naar buiten om te schilderen
wat ze zien. De school van Barbizon in Frankrijk trok vele Nederlandse
schilders die kant op om de nieuwerwetse ideeën over te nemen en
mee te nemen. Door de nieuwe technieken en daardoor te vervaardigen materialen
zoals oliever in tubes en voorgegronde schildersdoekjes maakt het en plein
air schilderen ook mogelijk. Met deze nieuwe materialen en buitenschilder-ideeën
kwamen tevens de eerste nadelen van de moderne kunst. De verf moest snel
drogen, waardoor er teveel drogers werden toegevoegd zodat er jeugdcraquelé
ontstond in de verf (zie hieronder). Er werden nieuwe verfsoorten gemaakt.
De een droogde bijna niet, waardoor het bleef uitlopen met verlopen verflagen
en verfkratertjes als gevolg (zie hieronder). De ander verdonkerde zodat
hele schilderijen anno nu onleesbaar zijn geworden en zo zijn er tal van
andere problemen met de moderne tijd meegekomen.>
Het
idee achter het kunstwerk werd ook steeds belangrijker. De impressionisten
wilden het licht vangen. Met hun pasteus opgezette kleurige schilderijen
wilden ze laten zien dat ze het licht vingen in de verf. Deze verflaag
mocht absoluut nooit worden gevernist; dit zou het uiterlijk veranderen
en hun ideeën teniet doen. Deze kennis is voor de restauratie van
een impressionist zeer van belang.
In het geval van een
Hollands impressionist zoals G.H. Breitner, zoals hieronder is afgebeeld,
worden de donker opgezette aardkleuren met de tijd donkerder. Met daarbij
de vergeling van vernis (deze stukken zijn meestal wel gevernist) en het
oppervlaktevuil boet het schilderij sterk in op kleur en contrast. Dan
is het verwijderen van de vernis en het vuil, waarna een slotvernis wordt
aangebracht, belangrijk om het schilderij weer goed uit de verf te laten
komen.
Enige kennis aangaande de kwetsbaarheid van de door hem gebruikte aardkleuren
is noodzakelijk om het schilderij niet te ‘verpoetsen’. In
het verleden is dit wel gebeurt waarna er overschilderingen zijn aangebracht.
Dit maakt de schoonmaak tot een extra inspannende aangelegenheid om overschildering
van authentiek te onderscheiden en de authentieke verflaag niet aan te
tasten.
“Gele
rijders” (1873) door G.H. Breitner / 89,5 x 191 cm. , collectie MMKA
Hoe
meer we bij de dag van vandaag komen hoe minder het een belangrijke voorwaarde
voor een schilderij is dat het technisch goed is vervaardigd. Hierdoor
kan van een schilderij uit 1970 de verf er spontaan afvallen, terwijl
daarnaast een 17e eeuws schilderij nog al zijn brillantine en verdelen
nog kan bezitten. Het kan voor een moderne kunstenaar zelfs belangrijk
zijn dat zijn of haar kunstwerk nooit wordt gerestaureerd, omdat het sterven
van het schilderij bij het idee hoort. Een vanitas. Indien dit zo is behoort
dat te worden gerespecteerd. Maar zodra het schilderij een kunstbezit
wordt waar een grote geldwaarde tegenover staat wordt het een interessant
vraagstuk, zeker voor de eigenaar die toe moet zien hoe zijn investering
uit elkaar valt. Hier komen we in hele interessante discussies terecht
over de ethiek van het restaureren en wat is authentiek, welke waarde
is het belangrijkst om te restaureren?
Door op de driehoekjes te klikken kunt u de verschillende
stadia doorlopen.
Reeks:
detail van ‘molen in landschap’, W. Roelofs (1822-1897), collectie
AKZO Art Found.
|