Moderne schilderijen.
Met de term moderne schilderijen worden de schilderijen bedoeld die ongeveer na 1860 zijn gemaakt. Vanaf de Haagse School. Rond die tijd worden de classicistische normen binnen de schilderkunst opzij gezet om tot nieuwe normen en waarden te komen binnen de schilderkunst. De schilders gaan naar buiten om te schilderen wat ze zien. De school van Barbizon in Frankrijk trok vele Nederlandse schilders die kant op om de nieuwerwetse ideeën over te nemen en mee te nemen. Door de nieuwe technieken en daardoor te vervaardigen materialen zoals oliever in tubes en voorgegronde schildersdoekjes maakt het en plein air schilderen ook mogelijk. Met deze nieuwe materialen en buitenschilder-ideeën kwamen tevens de eerste nadelen van de moderne kunst. De verf moest snel drogen, waardoor er teveel drogers werden toegevoegd zodat er jeugdcraquelé ontstond in de verf (zie hieronder). Er werden nieuwe verfsoorten gemaakt. De een droogde bijna niet, waardoor het bleef uitlopen met verlopen verflagen en verfkratertjes als gevolg (zie hieronder). De ander verdonkerde zodat hele schilderijen anno nu onleesbaar zijn geworden en zo zijn er tal van andere problemen met de moderne tijd meegekomen.
Deze applicatie heeft javascript nodig.
Uw browser dient hierop ingesteld te zijn.


"de meloenenverkoopster", Jacobus van Looy, (1855-1930), part. collectie

Het idee achter het kunstwerk werd ook steeds belangrijker. De impressionisten wilden het licht vangen. Met hun pasteus opgezette kleurige schilderijen wilden ze laten zien dat ze het licht vingen in de verf. Deze verflaag mocht absoluut nooit worden gevernist; dit zou het uiterlijk veranderen en hun ideeën teniet doen. Deze kennis is voor de restauratie van een impressionist zeer van belang.

In het geval van een Hollands impressionist zoals G.H. Breitner, zoals hieronder is afgebeeld, worden de donker opgezette aardkleuren met de tijd donkerder. Met daarbij de vergeling van vernis (deze stukken zijn meestal wel gevernist) en het oppervlaktevuil boet het schilderij sterk in op kleur en contrast. Dan is het verwijderen van de vernis en het vuil, waarna een slotvernis wordt aangebracht, belangrijk om het schilderij weer goed uit de verf te laten komen.
Enige kennis aangaande de kwetsbaarheid van de door hem gebruikte aardkleuren is noodzakelijk om het schilderij niet te ‘verpoetsen’. In het verleden is dit wel gebeurt waarna er overschilderingen zijn aangebracht. Dit maakt de schoonmaak tot een extra inspannende aangelegenheid om overschildering van authentiek te onderscheiden en de authentieke verflaag niet aan te tasten.

Deze applicatie heeft javascript nodig.
Uw browser dient hierop ingesteld te zijn.
“Gele rijders” (1873) door G.H. Breitner / 89,5 x 191 cm. , collectie MMKA

Hoe meer we bij de dag van vandaag komen hoe minder het een belangrijke voorwaarde voor een schilderij is dat het technisch goed is vervaardigd. Hierdoor kan van een schilderij uit 1970 de verf er spontaan afvallen, terwijl daarnaast een 17e eeuws schilderij nog al zijn brillantine en verdelen nog kan bezitten. Het kan voor een moderne kunstenaar zelfs belangrijk zijn dat zijn of haar kunstwerk nooit wordt gerestaureerd, omdat het sterven van het schilderij bij het idee hoort. Een vanitas. Indien dit zo is behoort dat te worden gerespecteerd. Maar zodra het schilderij een kunstbezit wordt waar een grote geldwaarde tegenover staat wordt het een interessant vraagstuk, zeker voor de eigenaar die toe moet zien hoe zijn investering uit elkaar valt. Hier komen we in hele interessante discussies terecht over de ethiek van het restaureren en wat is authentiek, welke waarde is het belangrijkst om te restaureren?

Door op de driehoekjes te klikken kunt u de verschillende stadia doorlopen.
Deze applicatie heeft javascript nodig.
Uw browser dient hierop ingesteld te zijn.

Reeks: detail van ‘molen in landschap’, W. Roelofs (1822-1897), collectie AKZO Art Found.